“Het rustige kassengebied waar wij wonen, werd een paar maanden geleden getroffen door een inbraakgolf. Een eindje verderop waren ze al binnen geweest, een stukje terug ook. Mijn man zei: ‘Binnenkort zijn wij aan de beurt. Goed afsluiten!’ Dat is niet helemaal gelukt. De buitendeur van mijn slaapkamer op de eerste verdieping stond open. De inbrekers konden zó naar binnen, nadat ze via een tuinstoel op het dak van de serre waren geklommen. In de slaapkamer vonden ze sieraden van mijn overleden moeder, die álles voor mij was. En van mijn oma, mijn man, mijn kinderen. Het hangertje dat ik kreeg bij de geboorte van mijn dochter. Ik bewaarde alles in doosjes op de commode naast mijn bed. We waren gezellig een borreltje wezen drinken, die zaterdagavond. Mijn man ging als eerste naar bed. Hem is niks opgevallen – mannen kijken niet. Toen ik binnenkwam, zag ik overal lege doosjes liggen. Ik schreeuwde: ‘Ze zijn binnen geweest!’ De woede die je dan voelt… als ik zo’n inbreker was tegengekomen, had ik hem denk ik vermoord.
Het duurde een paar dagen voordat de ergste emoties waren gezakt en ik aangifte kon gaan doen. Ik moest precies beschrijven wat er weg was. Toen we eindelijk klaar waren en ik weer wilde gaan, herinnerde ik me nog iets: het ringetje dat we onze zoon Per hadden gegeven toen hij drie jaar oud was. Zijn naam stond erin.
Ik verwachtte niet dat ik iets terug zou krijgen. Maar na een maand viel ’s avonds laat een brief op de mat, of ik rechercheur Nap wilde bellen. Ik deed geen oog dicht, die nacht. De volgende ochtend zei Nap aan de telefoon dat hij waarschijnlijk goed nieuws had. Ik stond te trillen op mijn benen, werd helemaal raar in mijn buik. Het verdriet zat zó diep. Diezelfde dag zag ik op Bureau Loosduinen veel van mijn sieraden terug.
Het ringetje van mijn zoon heeft me geluk gebracht. Dat was heel herkenbaar, daarom besloot de politie alle dossiers door te spitten. Toen het in mijn aangifte bleek te staan, hebben ze die helemaal nageplozen en de sieraden erbij gezocht. Gelukkig was alles goed beschreven, daardoor krijg ik straks een heleboel terug. Als de inbrekers tenminste afstand doen. Dat moet eerst gebeuren. Terwijl het mijn spullen zijn. Het is zo krom als een hoepel. Maar Nap zit erachteraan. Die man is zo betrokken. Ik kon hem wel zoenen.”