“Als officier van justitie geef ik leiding aan moordonderzoeken, samen met de teamleider van de politie. Vroeger werd de officier als een noodzakelijk kwaad beschouwd. De politie belde als ze iets van het OM nodig had, verder niet. De verhoudingen waren hiërarchisch. Alleen een brigadier met een bepaalde rang mocht bellen. Die ging dan naast zijn bureau staan, met de pet onder de arm.
Tegenwoordig trekken we samen op in het Team Grootschalige Opsporing. Als ’s ochtends een lijk wordt gevonden, komt ’s middags het team bijeen om videobeelden van de plaats delict te bekijken. Ik bepaal met de teamleider de onderzoeksrichting, maar overleg ook met de tactisch en technisch coördinator en woon alle briefings bij.
In principe ben ik de baas, maar dat wringt wel eens. Je hebt nu eenmaal OM-werk en politiewerk. Wil de politie een verdachte aanhouden, volgen, afluisteren of zijn huis doorzoeken, dan kan alleen ik de rechter-commissaris om toestemming vragen. Maar ik ben ook wel eens teruggefloten door een teamleider, toen ik wilde dat een verdachte door andere politiemensen werd verhoord. Net als de voorzitter van de voetbalclub kan ik wel aanwijzingen geven, maar moet ik de coach op zijn manier laten werken. Tenzij er echt iets misgaat.
Ik beslis wanneer we stoppen met een onderzoek. Dat kan frictie met de politie geven, vooral als er geen verdachte is gevonden. Ik heb nog geen onopgeloste moordzaak meegemaakt, maar bewijs leveren, kan heel moeilijk zijn. Soms kun je alleen aantonen dat het verhaal van de verdachte onaannemelijk is. Andere keren heb je geluk. Zo maakte ik mee dat een eerwraak werd opgelost dankzij een man die thuis zat te bidden. Hij werd afgeleid door flikkerend licht, keek naar buiten en zag dat iemand daar een kastje in brand stak. De politie vond daar het lijk van een vrouw in. Met hulp van de getuige werd een compositietekening van de dader gemaakt. Kort daarna kwam een man bij de politie om zijn vrouw als vermist op te geven. Gevraagd naar een foto overhandigde hij zijn trouwfoto. Die is naast de compositietekening gelegd. De man leek als twee druppels water.
Ik doe het liefst moordzaken. Die móéten worden opgelost. Het is spannend werken, met gemotiveerde politiemensen en voldoende middelen. Het liefst zou ik ook nog over de straf beslissen. Ik werk wel mee aan een veroordeling, maar moet het oordeel aan de rechtbank overlaten. Gelukkig heb ik nog niemand veroordeeld gekregen die later onschuldig bleek. Dat lijkt me vreselijk. Maar je moet ook niet te bang zijn. Anders blijven heel veel schuldigen vrij rondlopen.”