“Bevallen langs de kant van de weg, dat gebeurt in films, niet in het echt. Toch is het mij overkomen op 21 oktober 2005. Ik voelde dat mijn tweede kindje er aankwam. Maar toen ik het ziekenhuis belde, zei de verpleegster: ‘U klinkt zó rustig, dat duurt nog wel even. Blijf voorlopig maar thuis.’ We moesten de weeën tellen. Die kwamen om de tien minuten. Dan mag je naar het ziekenhuis, hebben we later begrepen. Maar toen we na een half uur weer belden, kregen we opnieuw te horen dat we thuis moesten blijven. Die verpleegster vergiste zich. Ze heeft later haar excuses aangeboden.
Kort na dat tweede telefoontje braken de vliezen. Ik hield het niet meer. We zijn gauw in de auto gesprongen, mijn man Dennis achter het stuur, mijn broer en zoontje op de achterbank. Ik zat voorin met mijn benen tegen elkaar en deed mijn best de baby binnen te houden, maar halverwege de reis voelde ik het hoofdje al komen. ‘Doorrijden, doorrijden’, riep ik. We móésten naar het ziekenhuis, dan zou het goed komen. Dat zat maar in mijn hoofd. Maar Danisha liet zich niet meer tegenhouden. De navelstreng zat om haar hoofdje. Ik bewoog me niet, uit angst haar te beschadigen. Mijn broer heeft 112 gebeld en we zijn langs de kant van de weg gaan staan, wachtend op een ambulance. Tot onze verbazing stonden heel snel twee agenten voor onze neus. Die kwamen meteen in actie, haalden de navelstreng los en duwden een kussen in mijn rug. Even later kwam de ziekenwagen. ‘Het is een jongen’, riep de broeder die mijn baby in warmhoudfolie wikkelde. Hoe hij daar nou bij kwam… Pas toen Danisha in het ziekenhuis op mijn buik lag, zag ik dat het een meisje was.
We mochten na controle meteen naar huis. Ik wou lekker in bed kruipen, naar de baby kijken. Maar politiewoordvoerder Wim Hoonhout belde, of we de media te woord wilden staan. Na wat aarzeling hebben we toegestemd. Het leek ons leuk voor later. We beseften niet dat er dertig man op de stoep zouden staan. Dennis moest elke keer opendoen en het verhaal vertellen, bijna vier uur lang. Toen we om acht uur eindelijk gingen eten, zagen we onszelf op tv. Heel vreemd. We wisten zelf nog nauwelijks wat er gebeurd was en dan ben je ineens op drie tv-zenders en sta je in een heleboel kranten! We hebben alles bewaard voor Danisha. Ook het cadeautje dat de agenten die middag voor haar hebben gebracht: een rompertje met ‘hulpagent’ erop.”