“De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding heeft in 2005 besloten dat ik beveiligd moest worden, nadat de politie of inlichtingendienst bedreigingen had opgevangen. Ik had zelf geen invloed op dat besluit en dat is goed. Zoiets moet objectief worden beoordeeld, want als het misgaat, is de overheid kwetsbaar. Bijzonder is wel dat deze verantwoordelijkheid ligt bij de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Die laatste was ik toen nog. Om de bewakingstaak van de politie beter te leren kennen, was ik net op werkbezoek geweest bij Politie Haaglanden, dat er van alle regiokorpsen het meest indringend mee wordt geconfronteerd.
Ministers vallen onder een apart, landelijk regime. Zij krijgen persoonsbeveiliging van het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD), terwijl de regiopolitie eventueel de woning bewaakt. Als je onder dat zware regime valt, kun je geen stap doen zonder mensen om je heen. Dat is heel ingrijpend. Ik kijk niet met grote vreugde terug op die periode, al werkte men zo discreet en terughoudend mogelijk. Ik at echt niet lekker in een restaurant als aan de tafel naast me bewakers zaten. Dat het in Den Haag nodig was, vooruit. Maar in mijn woonplaats Groningen hoefde het niet zo intensief, leek mij. Op een vrijdag zei een agent: ‘Morgen moeten we naar Groningen, want u gaat naar de kapper.’ Dat vond ik nou helemaal niet nodig. Ik zou me nooit aan de beveiliging onttrekken, maar die dag heb ik Tjibbe Joustra gebeld om te vragen of het niet wat minder kon. Hij zei: ‘Zeg maar dat je die afspraak hebt geschrapt.’ De volgende dag ben ik rustig alleen naar de kapper gelopen. Bang ben ik nooit geweest, van dat soort ben ik niet. Ik ben wel een keer erg geschrokken, toen mijn chauffeur mij ophaalde en voor mijn deur een man werd overmeesterd. Dat was overigens loos alarm.
Ik wil verder niets zeggen over de bedreigingen die aan mijn adres zijn geuit. Ik vind dat je daar niet over moet praten. Als minister ben ik te vaak politici tegengekomen die ermee koketteerden of er politiek gewin uit sloegen door in de slachtofferrol te kruipen. Collega Donner en ik hebben lastige gesprekken gevoerd met politici – ik noem geen namen – die óók beveiligd wilden worden, zonder aanleiding. Voor hen was het een statussymbool. Ik was juist opgelucht toen het voorbij was. Ik voelde me ook wat bezwaard over al die aandacht. Permanente bewaking legt een geweldig beslag op de politie, waarbij je je goed moet realiseren dat het een kwestie is van risicoreductie. Het is een illusie te denken dat je een aanslag honderd procent kunt voorkomen.”